Claire’s zoektocht van fast fashion naar slow fashion


Mijn liefde voor mode heb ik geërfd van mijn oma Cato als ik mijn ouders mag geloven. Een klein vrouwtje met dun grijs haar opgestoken in een klein knotje en bijna altijd gehuld in een lange jurk met strik. Ze had een winkel in o.a. stoffen en fournituren en genoot van de kwaliteit van rijke materialen.

Ik heb haar relatief kort gekend – een jaar of acht – maar aan de verhalen te horen heb ik dezelfde tic als haar om aan elke stof en structuur te willen voelen. De appel valt niet ver van de boom. Ze heeft nooit geweten dat ik met het doen van een mode opleiding in haar voetsporen ben getreden, maar haar coupeuse diploma uit 1929 heeft een bijzonder plekje in ons huis.

Laat ik je meenemen in mijn zoektocht naar een slow fashion lifestyle.

Dat ik een baan in de creatieve industrie wilde was al vroeg duidelijk. Na de Middelbare School begon ik met een opleiding interieur- en modestyling en al gauw verruilde ik Brabant voor Amsterdam.

Ik kwam voor het eerst écht met de modewereld in aanraking tijdens stages bij twee stylisten. Ik stapte vol verwachting en verwondering de wereld van fast fashion binnen zonder ook maar enig besef van wat daarachter schuilging. Het leek de normaalste zaak van de wereld om iedere week met iets nieuws op een event te verschijnen. Er ging een wereld voor me open, magazine redacties, photoshoots, pers events, goodiebags en als kers op de taart, Amsterdam Fashion Week.

Ik herinner me nog die keer dat we voor Grazia magazine een eco shopping maakten, dat was in 2010. Hoe lastig het was om alle merken bij elkaar te vinden zonder dat het een geiten-wollen-sokken bedoeling zou worden. Bij elk persbureau waar we langs gingen zochten we naar duurzame kledingmerken. Op een paar items van biologisch katoen na, was er bij de meeste weinig te vinden dus zochten we ook online. We gebruikten merken als Kuyichi, Adidas Stella McCartney, Alchemist en Camilla Norrback.

Tijdens mijn studie Fashion & Branding op het Amsterdam Fashion Institute (AMFI) kwam ik opnieuw in aanraking met duurzaamheid. Het stond weliswaar nog in de kinderschoenen, maar als nieuwe generatie studenten werd er van ons verwacht er iets mee te doen. Het eerste jaar uren maken achter de naaimachine — ook al koos je uiteindelijk niet die richting –– al was het alleen maar om te weten wat het inhoudt om een kledingstuk te maken. Die plek in het naailokaal is precies de plek waar een zaadje werd geplant.

Ik werkte een paar jaar in de Bijenkorf tijdens mijn studententijd. Kleding verkopen op de mannenafdeling, ik pakte ze (bijna) allemaal in. Deze mannen gingen in veel gevallen voor comfort en gemak. Tijdens de uitverkoop kwamen er weleens types voorbij die zeiden ‘doe deze er ook maar bij, het kost toch niks’. Waarop ik lief lachte en dacht: ‘je moest eens weten wie de prijs betaalt’, maar eerlijk is eerlijk tegelijkertijd was ik blij met een goede dagomzet, want daar werd ik uiteindelijk op beoordeeld. Dat kan naar mijn idee nooit het uitgangspunt zijn van een broek kopen, ‘omdat het zo goedkoop is’.

Ik was ondertussen afgestudeerd (op de merkstrategie van een klein merk gericht op duurzaamheid met een open source principe), ik draaide mijn laatste uren in de Bijenkorf en we vertrokken op wereldreis. Ik begon mezelf steeds meer af te vragen hoe die wereld van overconsumptie en ‘elke-week-iets-nieuws’ samenging met alles wat ik ondertussen te weten was gekomen over de mode industrie.

Helemaal op reis waarbij mijn garderobe bestond uit zes t-shirts, twee truien, vier broeken, twee jurken en drie paar schoenen. Ik realiseerde me dat ik helemaal niet verlangde naar andere kleding, ik had tenslotte al mijn lievelingsitems al bij me.

Voorheen was ik minstens twee keer per maand in de Zara en H&M te vinden en maakte ik verlanglijstjes van nieuwe items. Doorkruiste ik Milaan op marathon tempo op zoek naar de perfecte Miss Sixty jeans of kocht ik Isabel Marant sleehakken terwijl mijn moeder een hartverzakking kreeg bij het afrekenen. Het was een rib uit m’n lijf, maar ik droeg ze zo vaak dat ik er nog niet mee naar bed ging.

Na onze wereldreis in 2016 besloot ik dat het rigoureus anders moest. Ik zag de documentaire The True Cost en sprak met mezelf af niet meer bij Zara, H&M en andere fast fashion ketens te kopen. Op die verdwaalde keer na dan, dat ik een glitter legging voor carnaval kocht. Waarbij mijn theorie was dat de kans dat het exemplaar in de feestwinkel duurzaam geproduceerd zou zijn 0,001% was.

Die keer herinner ik me nog heel goed. Ik struinde een aantal bekende ketens af, zoals ik dat ook deed in mijn styling tijd als we een commerciële klus hadden. Het voelde ongemakkelijk om tussen de overvolle rekken van H&M te zoeken naar de ‘perfecte legging’ en toch deed ik het.

Het moment dat ik Primark in liep vergeet ik nooit meer, terwijl ik over de drempel stapte kreeg ik een bedrukt gevoel in mijn onderbuik. Ik nam de roltrap naar boven en daar aangekomen keek ik om me heen en bekroop me een bijna misselijk gevoel. Uitpuilende rekken en krioelende mensen met grote shopping bags volgepropt met kleding van absurd lage prijzen. Ik was geloof ik even vergeten dat ook hier het credo was: ‘doe deze er ook maar bij, het kost toch niks’.

De beelden uit de documentaire flitsen door mijn hoofd. Vrouwen en kinderen achter naaimachines. Vluchtende arbeiders die uit fabrieken renden vanwege branden en instortende gebouwen. Watervallen aan chemicaliën die een rivier instromen. Vrouwen die werken om uit de armoede te komen en daarvoor noodgedwongen hun babies meenemen om ze naast hun naaimachine te laten slapen. En aan de andere kant de consument die gewend is aan een modesysteem dat is gebaseerd op materialisme.

Ik hoorde weleens verhalen van design studenten die na vier jaar hun naaimachine wel uit het raam konden flikkeren, zo intens was het. Laat staan dat het je baan is en je er slecht voor wordt betaald met onmenselijke omstandigheden en werktijden. Ik bedoel zo’n student kiest er nog voor met een hoger doel, maar iemand die in een kledingfabriek werkt en nauwelijks rond kan komen heeft weinig keus, voor hen tien anderen.

Ik vroeg een verkoopster of ze misschien glitter leggings verkochten, waarop ze me bijna verbaasd aankeek en zei dat ze geen idee had. Het gekke was dat ik me er ook nog iets bij voor kon stellen in deze chaos van kleding. Alles in mij schreeuwde zo snel mogelijk via de roltrap naar de uitgang en weg hier. Dit klopt niet, dit wil ik niet.